Informatie over elektrische installaties
Ontdek alles wat u moet weten over veilige en betrouwbare elektrische installaties.
NEN1010
De NEN 1010-norm is van toepassing op alle nieuwe elektrische installaties en op aanpassingen of uitbreidingen van bestaande installaties. Het naleven van deze norm is essentieel voor uw veiligheid en die van uw omgeving.
Belangrijke praktische regels opgesomd voor huis installaties.
-
Er mag bedrading van slechts 1 eindgroep in 1 buis. Leg ook geen lasdozen van verschillende groepen aan elkaar.
-
Buig maximaal 3 scherpe bochten in 1 5/8″ (16mm) leiding, als dit niet is te voorkomen moet een trekdoos worden geplaatst Probeer bochten zo flauw mogelijk te maken, draad trekken gaat dan veel makkelijker.
-
In 5/8″ (16mm) buis mogen maximaal 5 draden, 3 x 2,5mm2 en 2 x 1,5mm2, in flexibele buis 1 draad minder. In 3/4″ (19mm) buis mogen 5 draden van 2.5mm2 of 3 draden van 2.5mm2 en 4 x 1,5mm2
-
Leidingen moeten deugdelijk vast zitten, voor 5/8″pvc geldt horizontaal beugelen om de 40cm ,verticaal om de 50cm en10 cm vanaf een lasdoos, wandcontactdoos, bocht, sok of lichtpunt. Dit geldt niet voor inbouwinstallaties welke tijdelijk worden vastgezet en later worden aangesmeerd met specie of stucwerk.
-
Open en/of losse bedrading is niet toegestaan
-
Zware verbruikers >2000watt zoals ovens en wasmachines moeten aangesloten worden op een eigen eindgroep.
-
Zonnecel installaties moeten worden aangesloten op een eigen eindgroep achter een aardlekschakelaar.
-
Een eindgroep is maximaal 16 ampere (max 3680 Watt) als dit een automaat is een B-karakteristiek. Dit kan ook een kookgroep (2 x 230V) zijn of een krachtgroep (3 x400V)
-
Een hoofdschakelaar is verplicht.
-
Alle groepen moeten achter een aardlekschakelaar van 30mA
-
Een installatie moet verdeeld zijn over minstens 2 aardlekschakelaars
-
Er mogen mogen maximaal 4 eindgroepen achter 1 aardlekschakelaar
-
Alle aansluitpunten voor wandcontactdozen en lampen etc. moeten zijn voorzien van een beschermingsleiding.
-
Maximaal 5 draden in een lasdop.
-
Installaties moeten bereikbaar zijn.
-
Installaties moeten overzichtelijk zijn.
-
Vreemde metalen delen moeten vereffend worden via een centrale aardrail bij de groepenkast (waterleiding, metalen gasleiding, metalen cv buizen, metalen constructie) met een blanke aarddraad van minstens 4 mm2 in buis of 6mm2 los.(dit i.v.m. mechanische bescherming)
-
In de badkamer moeten alle metalen delen vereffend worden via een centraal aardpunt (betonnen vloer via een aardmat, waterleiding, cv leiding, metalen douchbak, metalen bad), het centrale aardpunt mag sinds een wijziging in 2001 worden verbonden met de aardedraad van de installatie met 2.5mm2.
-
In de badkamer mag in de buurt van de douche of bad mag alleen een elektrisch aansluitpunt zijn buiten zone 2 en boven 225 cm (zone 3) Binnen 60 cm van de douchebak of bad (zone 0 en 1) mogen alleen 12 volt toestellen geplaatst worden van klasse III waarbij de beschermingsklasse in zone 0 IPX8 moet zijn en in zone 1 IPX5.
-
Kabels in de grond moeten zijn voorzien van een aardscherm, deze moet zijn gekoppeld aan de aarde van de installatie.
-
Kabels in de grond moeten op minstens 50 cm diep liggen.
Aarding badkamer en vochtige ruimtes
Het aanbrengen van aarding (aanvullende potentiaalvereffening) in de badkamer en andere vochtige ruimtes is wettelijk verplicht volgens de NEN 1010 normen. Omdat water en elektriciteit een levensgevaarlijke combinatie vormen, zorgt aarding ervoor dat alle metalen onderdelen in de ruimte dezelfde spanning krijgen, waardoor gevaarlijke elektrische schokken worden voorkomen.
Alle te aarden onderdelen in de badkamer worden rechtstreeks verbonden met het Centraal Aardpunt (CAP) of de badkameraardingsrail.
- Het CAP is een metalen rail in een inbouwdoos, vaak geplaatst achter de spiegel of onder de wastafel.
- Vanaf het CAP loopt een 2,5 mm² groen-gele geïsoleerde aardedraad naar de centrale contactdoos (centraaldoos) van de badkamer.
- De verbindingen tussen de metalen objecten en het CAP worden gemaakt met een blanke koperdraad van 4 mm² (of 2,5 mm² mits beschermd door een buis).
Wat moet verplicht worden geaard?
U dient vrijwel alle vaste, geleidende metalen onderdelen in de vochtige ruimte te verbinden met het CAP:
- Metalen douchebak en badkuip via een speciale aardklem.
- Radiatoren en designradiatoren via een radiatorklem.
- Metalen waterleidingen en CV-leidingen (indien de leidingen zelf van metaal zijn).
- De vloer door middel van een metalen aardmat of aardnet onder de tegels (verplicht bij een betonvloer met wapening of zwaluwstaartplaten).
- Metalen deurposten of raamkozijnen (indien deze in contact kunnen komen met spanning).
Kunststof leidingen (PEX/AluPEX)
Als uw badkamer is uitgerust met kunststof leidingen, hoeven deze buizen zelf niet geaard te worden. Echter, de metalen kranen en verdelerblokken die met het water in contact staan, moeten vaak nog wel via het CAP worden vereffend, omdat water elektriciteit geleidt.
Volgens de NEN 1010 veiligheidsnormen is een badkamer opgedeeld in drie officiële zones (Zone 0, 1 en 2). Hoe dichter bij het water, hoe strenger de eisen voor de waterdichtheid (IP-waarde) en de maximale spanning (voltage) van elektrische apparatuur en verlichting.
Stopcontacten
Binnen:
Belangrijke richtlijnen zijn het gebruik van randaarde, een advieshoogte van minimaal 25 tot 30 cm boven de vloer, en veilige zones rondom water in de badkamer of keuken.
Hoogte en Plaatsing
- Woonruimtes: Plaats de onderkant op minimaal 25 tot 30 cm hoogte om stof en vocht te vermijden.
- Aanrecht en keuken: Houd minimaal 10 tot 60 cm afstand van een kraan of spoelbak, en kies spatwaterdichte opties.
- Badkamer: Strenge veiligheidszones; geen stopcontacten direct bij bad of douche (minstens 60 cm uit de buurt en voorzien van IP44 spatwaterdichtheid en aardlekschakelaar).
Veiligheid en Groepen
- Randaarde: Dit is verplicht bij nieuwbouw en grote renovaties.
Aantal per groep: Maximaal 8 stroompunten (dubbele stopcontacten tellen vaak als één punt) per 16A-groep met een totaal maximum van 3680 watt.
Buiten:
Voor buitenstopcontacten gelden in Nederland veiligheidseisen volgens de NEN 1010-norm om kortsluiting en elektrocutie door vocht te voorkomen.
Minimale IP-waarde (Beschermingsklasse)
- IP44 verplicht: Dit is de minimale norm voor buiten. Het stopcontact is dan spatwaterdicht en beschermd tegen objecten groter dan 1 mm.
- IP55 of hoger: Dit wordt sterk aangeraden op onbeschutte plekken waar regen of een tuinslang het stopcontact direct kan raken (spuitwaterdicht).
- Klapdeksel: Buitencontactdozen moeten altijd voorzien zijn van een verende beschermklep.
Plaatsing en Montage
- Minimaal 30 cm hoogte: Installeer stopcontacten altijd minstens 30 centimeter boven het grondoppervlak (of terras) om opspattend regenwater en ophopend vuil te vermijden.
- Aardlekschakelaar: De buitengroep moet verplicht aangesloten zijn op een 30mA aardlekschakelaar in de meterkast.
- Eigen stroomgroep: Sluit tuinverlichting en buitenstopcontacten bij voorkeur aan op een aparte groep in de meterkast, zodat een storing buiten niet de stroom binnen (zoals de koelkast) uitschakelt.
Groepenkast
1-Fase
Bij een 1-fase groepenkast komt er via de hoofdzekering van de netbeheerder (meestal 1x 35 Ampère of soms 1x 25 Ampère) één fasedraad (bruin) en één nuldraad (blauw) de woning binnen.
Hier zijn de specifieke regels, limieten en ontwerprichtlijnen die gelden voor 1-fase groepenkast:
Specifieke componenten voor 1-fase
- Hoofdschakelaar: Deze moet 2-polig zijn (2P). Hierop sluit je de fasedraad en nuldraad van de netbeheerder aan. De hoofdschakelaar is verplicht minimaal 40 Ampère.
- Aardlekschakelaars: Gebruik 2-polige aardlekschakelaars (2P, Type A, 30mA).
- Bedrading in de kast: Gebruik voor de interne doorverbindingen (kamrails of soepele draden met adereindhulzen) een minimale dikte van 6 mm². Dit is verplicht om de maximale stroom van de hoofdschakelaar (40A) veilig te kunnen voeren.
Groepenverdeling en de "4-groepenregel"
- Maximaal 4 groepen per aardlekschakelaar blijft de harde grens.
- Omdat je bij een standaard 1-fase aansluiting maximaal twee aardlekschakelaars nodig hebt voor maximaal 8 groepen, moet je vanaf de 9e groep een derde aardlekschakelaar plaatsen.
Belangrijke beperkingen bij 1-fase (Gelijktijdigheid)
- Maximaal totaalvermogen: Bij een hoofdzekering van 1x 35A kun je maximaal 8.050 Watt (35A × 230V) tegelijkertijd verbruiken voordat de hoofdzekering van de netbeheerder doorslaat.
- Selectiviteit: Een eindgroep in de kast is standaard 16A. Dit is selectief ten opzichte van de 35A hoofdzekering (een factor van minimaal 1,6). Je mag in een 1-fase kast daarom geen zwaardere groepen dan 16A plaatsen (zoals een 20A of 25A automaat), omdat bij kortsluiting dan direct de hoofdzekering van de netbeheerder klapt.
Hoe zit het met zware apparaten op 1-fase?
- Fornuis / Inductie: Wil je elektrisch koken? Op 1-fase gebruik je hiervoor een kookgroep (ook wel fornuisgroep genoemd). Dit zijn twee gekoppelde 16A automaten die samen over 2 fasedraden en 2 nuldraden maximaal 7.360 Watt kunnen leveren. Let op: dit neemt dus direct twee plekken in achter één aardlekschakelaar.
- Laadpaal of Warmtepomp: Een laadpaal kan op 1-fase maximaal op 16A (3,7 kW) laden. Sneller laden (bijvoorbeeld op 32A / 7,4 kW) kan vaak niet, omdat de selectiviteit met je 35A hoofdzekering dan in het geding komt en je risico loopt op overbelasting.
3-Fase:
Bij een 3-fase groepenkast (aangesloten op een standaard 3x25 Ampère aansluiting van de netbeheerder) krijg je drie afzonderlijke fasedraden (L1, L2, L3) en één nuldraad (N) binnen. Dit geeft je een veel groter gelijktijdig vermogen (23.000 Watt in plaats van 8.050 Watt bij 1-fase) en maakt de aansluiting van zware apparaten mogelijk [maximaal 4 groepen per aardlekschakelaar].
Specifieke componenten voor 3-fase
- Hoofdschakelaar: Deze moet verplicht 4-polig zijn (4P). Hierop worden de drie fasen (L1, L2, L3) en de nuldraad (N) aangesloten. De standaardwaarde is minimaal 40 Ampère.
- Aardlekschakelaars: Je kunt twee typen gebruiken:
- 2-polige aardlekschakelaars (2P): Deze gebruik je voor de standaard 230V groepen (lichtgroepen, wasmachine, etc.). Je verdeelt deze aardlekschakelaars over de verschillende fasen (bijvoorbeeld één op L1, één op L2, één op L3).
- 4-polige aardlekschakelaars (4P): Deze zijn verplicht voor specifieke 3-fase apparaten (krachtgroepen), zoals een zware inductiekookplaat, laadpaal of warmtepomp.
- Interne bedrading: Gebruik ook hier flexibele draden met adereindhulzen of kamrails van minimaal 6 mm² om de stromen veilig te geleiden.
De gouden regel: Faseverdeling (Balanceren)
Omdat je hoofdzekeringen per fase 25 Ampère zijn, mag je per afzonderlijke fase niet meer dan 5.750 Watt tegelijk verbruiken.
- Gelijkmatige verdeling: Verdeel de normale 230V groepen zo gelijkmatig mogelijk over de drie fasen (L1, L2 en L3).
- Gelijktijdigheid: Zorg dat apparaten die vaak tegelijk aanstaan (zoals de vaatwasser en de wasmachine) op een andere fase zijn aangesloten. Als je ze op dezelfde fase zet, overschrijd je snel de 25A van die specifieke fase, waardoor de hoofdzekering van de netbeheerder eruit vliegt.
Krachtgroepen vs. Kookgroepen op 3-fase
- Krachtgroep (3F+N / 16A): Dit is een gecombineerde 4-polige automaat. Deze levert maximaal 11.040 Watt en gebruikt alle drie de fasen tegelijk. Dit is de modernste en meest stabiele manier om een inductiekookplaat, warmtepomp of laadpaal aan te sluiten. Dit moet achter een 4-polige aardlekschakelaar.
- Kookgroep (2F+2N / 16A): Hoewel een kookgroep (2x230V) ontworpen is voor 1-fase, mag deze wel in een 3-fase kast geplaatst worden (verdeeld over 2 fasen). Echter, bij een 3-fase aansluiting heeft een echte krachtgroep altijd de voorkeur voor een kookplaat.
Selectiviteit bij 3x25A
Net als bij 1-fase moet de installatie selectief zijn ten opzichte van de hoofdzekering. Omdat de hoofdzekeringen 25A zijn, mag een standaard eindgroep in je kast maximaal 16 Ampère zijn (16A × 1,6 = 25,6, wat perfect past bij de 25A hoofdzekering). Zwaardere eindgroepen van 20A of 25A zijn dus niet toegestaan, tenzij je de hoofdaansluiting laat verzwaren (bijvoorbeeld naar 3x35A).
Installatieautomaat
Een installatieautomaat (in de volksmond ook wel een 'automatische zekering' of 'groep' genoemd) beschermt de elektrische bedrading en apparaten in je huis tegen schade door overbelasting en kortsluiting. In tegenstelling tot de ouderwetse smeltveiligheid (de 'stop') kun je een installatieautomaat na het oplossen van de storing simpelweg weer omhoogschakelen.
Functie en Werking
- Kortsluiting: Als twee elektriciteitsdraden elkaar direct raken, ontstaat er een enorme stroompiek. De automaat grijpt via een elektromagnetisch mechanisme direct (binnen milliseconden) in om brand te voorkomen.
- Overbelasting: Als je te veel zware apparaten (zoals een wasmachine en een vaatwasser) tegelijk op één groep aanzet, wordt de stroomsterkte te hoog. De automaat warmt op via een bimetaal en schakelt na verloop van tijd gecontroleerd uit om smelten van de kabels te voorkomen.
- Geen lekstroombeveiliging: Een installatieautomaat meet niet of er stroom wegvloeit naar de aarde. Voor bescherming tegen elektrocutie moet hij daarom altijd achter een aardlekschakelaar worden geplaatst.
Belangrijke Kenmerken
- Uitschakelkarakteristiek: Voor normale huishoudens wordt vrijwel altijd een B-karakteristiek gebruikt. Voor apparaten met een hoge opstartstroom (zoals zware machines of warmtepompen) gebruikt men een tragere C-karakteristiek.
- Ampère: De standaardwaarde voor een huishoudelijke groep is 16 Ampère, wat geschikt is voor apparaten tot een gezamenlijk vermogen van maximaal 3680 Watt.
Aardlekschakelaar & aardlekautomaat
Een aardlekschakelaar beschermt alleen tegen gevaarlijke lekstromen (persoonsbescherming) en schakelt meerdere groepen tegelijk uit. Een aardlekautomaat combineert die aardlekbescherming met een normale installatieautomaat in één behuizing. Hierdoor beveiligt een aardlekautomaat één specifieke groep tevens tegen kortsluiting en overbelasting.
Functies en Werking
- Aardlekschakelaar:
- Meet het verschil tussen inkomende en uitgaande stroom.
- Slaat af bij een lekstroom (bijvoorbeeld via een beschadigd snoer of vocht).
- Biedt geen bescherming tegen te veel stroom door overbelasting of kortsluiting.
- Moet altijd samenwerken met losse installatieautomaten (groepenzekeringen).
- Aardlekautomaat:
- Bevat de werking van een aardlekschakelaar én een installatieautomaat (een 'one-stop-shop').
- Slaat af bij lekstroom, kortsluiting én overbelasting.
- Beveiligt doorgaans één enkele groep.
Verschillen in de Praktijk
- Ruimte in de meterkast: Een aardlekschakelaar dekt meerdere groepen af en kost samen met de automaten veel ruimte. Een aardlekautomaat is compacter per groep, maar kost meer ruimte als je elke groep apart wilt beveiligen.
- Uitschakelen bij storing: Als een aardlekschakelaar aangesproken wordt, gaan alle groepen erachter uit. Bij een aardlekautomaat valt alleen de getroffen groep uit, wat het zoeken naar de fout makkelijker maakt.